Francisco Franco
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Francisco Franco | |
|---|---|
| Leider van Spanje en 68e President-Regent van het Koninkrijk Spanje en 1e President onder het Franco regime (1939-1975) | |
| Ambtstermijn | 1 april 1939 - 20 November 1975 5 februari 1939 - 9 juni 1973 |
| Voorganger | Manuel Azaña als President |
| Opvolger | Juan Carlos I (als Koning) |
| Geboren | Ferrol, 4 december 1892 |
| Overleden | Madrid 20 november 1975 |
| Politieke partij | FET y de las Jons |
Francisco Paulino Hermenegildo Teódulo Franco y Bahamonde Salgado Pardo (Ferrol, 4 december 1892 – Madrid, 20 november 1975) kortweg Francisco Franco y Bahamonde, en beter bekend als generalísimo Francisco Franco was een Spaans dictator, regent, regeringsleider en generaal van 1939 tot zijn dood in 1975. Hij stond bekend als el Caudillo ("de leider").
Inhoud |
[bewerk] Vroege carrière
Francisco Franco werd geboren in Ferrol (Galicië). Zijn vader, Nicolás Franco y Salgado de Araújo werkte bij de Spaanse marine. Ook zijn moeder, María del Pilar Bahamonde y Pardo de Andrade, kwam uit een familie met een maritieme traditie. Ook Franco wilde oorspronkelijk de maritieme familietraditie voortzetten, maar de Zee-Academie aanvaardde geen nieuwe inschrijvingen tussen 1906 en 1913. Tot groot ongenoegen van zijn vader besloot hij om bij het leger te gaan.
In 1907 werd hij ingeschreven in de Infanterie-academie in Toledo, waar hij in 1910 afstudeerde als luitenant. Twee jaar later werd hij naar Marokko gestuurd. Pogingen van Spanje om zijn nieuwe Afrikaanse protectoraat te bezetten leidden tot de Rif-oorlog, die van 1909 tot 1927 zou duren. De strategieën van het Spaanse leger van die tijd hadden hevige verliezen onder Spaanse soldaten en officieren tot gevolg, maar gaven ook de kans om promotie te maken door verdienste. Zo werd er gezegd dat officieren twee dingen konden krijgen: la caja o la faja (de kist of het generaalslint). Franco kreeg hier al snel de reputatie van verdienstelijk officier en ging bij de pas gevormde regulares: koloniale troepen met Spaanse officieren. Zij dienden vooral als stormtroepen van het Spaanse Vreemdelingenlegioen.
In 1916, Franco was toen 23 en reeds kapitein, raakt hij zwaar gewond in de strijd nabij El Biutz. Dat hij zijn zware verwondingen overleefde, was voor zijn Marokkaanse troepen het bewijs dat hij een man van baraka (goed geluk) was. Hij werd ook voorgedragen voor de Cruz Laureada de San Fernando, de hoogste Spaanse militaire eer. In plaats daarvan werd hij gepromoveerd tot majoor (comandante), de jongste majoor in het Spaanse leger op dat moment.
Op 24 juli 1921 leed het slecht uitgeruste Spaanse leger bij Annual een zware nederlaag tegen de Rif-stammen die geleid werden door de Abd-el-Krim-broers. Na een geforceerde mars van drie dagen redde het Vreemdelingenlegioen onder leiding van Franco de Spaanse enclave Melilla. In 1923, Franco was reeds luitenant-kolonel, werd hij commandant van het Spaanse Vreemdelingenlegioen.
In datzelfde jaar trouwde hij met María del Carmen Polo y Martínez Valdés. Zij kregen één kind, dochter Maria del Carmen, geboren in 1926. Zijn getuige op dit huwelijk, als eerbetoon aan Franco, was de Spaanse koning Alfonso XIII. In 1925 leidde Franco de eerste golf van landingstroepen nabij Alhucemas. Deze landing, in het kerngebied van de stam van Abd el-Krim, betekende, mede dankzij de Franse invasie vanuit het zuiden, het einde van de korte Rif-republiek.
Franco werd in 1928, als jongste generaal van Spanje, hoofd van de pas opgerichte Verenigde Militaire Academie van Zaragoza; een nieuwe academie voor alle cadetten.
[bewerk] De Tweede Spaanse Republiek
Met de val van de Spaanse monarchie in 1931 bemoeide Franco zich niet. Hij had zich ook in het verleden altijd apolitiek opgesteld. Maar met het sluiten van zijn militaire academie, in juni 1931, door Minister van Oorlog Manuel Azaña werd een eerste conflict met de Republiek begonnen. De linkse Azaña vond de afscheidsspeech van Franco voor de cadetten beledigend en Franco was zes maanden zonder positie en werd onder surveillance geplaatst. Evenwel bleef Franco loyaal aan de regering, aangezien de leiding van de nieuwe republiek in praktijk nog in handen van geestverwanten van Miguel Primo de Rivera bleef.
Op 5 februari 1932 kreeg hij een commandopositie in La Coruña. Franco slaagde erin om niet betrokken te geraken in de coup-poging van José Sanjurjo en schreef zelfs een kwade brief naar Sanjurjo waarin hij zijn woede over de coup-poging ventileert. Als resultaat van de hervormingen van Azana werd Franco het militair bevel over de Balearen gegeven, een positie die eigenlijk boven zijn rang stond.
[bewerk] De opstand in Asturië
Nieuwe verkiezingen in oktober 1933 zorgen voor een centrum-rechtse meerderheid van monarchisten, conservatieven, christendemocraten en liberalen. Op 5 oktober 1934 brak, als weerstand tegen het nieuwe kabinet, een extreem-linkse revolutie uit, gesteund door stalinisten, andere communisten en anarchisten. In de meeste gebieden werd deze extreme revolutie direct neergeslagen, maar in Asturië hield ze stand, geleid door de anarchistische vakbond van mijnwerkers. Diego Hidalgo, de nieuwe Minister van Oorlog, gaf Franco het commando om deze opstand neer te slaan. Franco gebruikte zijn Marokkaanse troepen van het Vreemdelingenlegioen als speerpunt hiervoor. Na twee weken van zware gevechten werd de opstand neergeslagen. Schattingen zijn dat er tussen de 1.200 en de 2.000 doden vielen - aan beide zijden - bij het neerslaan van de revolutie. Enige tijd hierna werd Franco hoofd van het Spaanse Vreemdelingenlegioen in Afrika.
[bewerk] De verkiezingen van 1936
Toen in februari 1936 het Volksfront de verkiezingen - omringd door geruchten over stemfraude - won, deed Franco een beroep op de nieuwe premier Manuel Azaña om de staat van beleg uit te roepen, wat deze weigerde. In plaats daarvan stuurde hij Franco als gouverneur naar de Canarische eilanden, een veredeld soort ballingschap.
[bewerk] De Spaanse Burgeroorlog
Ondanks het feit dat Franco niet de financiële middelen had om de oorlog te bekostigen en daarbij komende dat de Spaanse schatkist in Madrid lag, was er een georganiseerde economische lobby die in Londen zorgde voor de financiële benodigdheden van Franco. Deze lobby had haar hoofdkwartier in Lissabon. Franco zou naar verluidt ooit gezegd hebben: "Ik heb al mijn inspiratie van de grote Robert E. Lee gekregen. Als ik een baard kon laten groeien, dan zou ik het doen." Uiteindelijk zou Franco grote economische en diplomatische hulp krijgen vanuit het buitenland.
[bewerk] De eerste maanden
Op 18 juli 1936 begon de Spaanse Burgeroorlog. De eerste dagen van de opstand werden gekenmerkt door de noodzaak de controle over Spaans-Marokko te verwerven. Franco zocht enerzijds de steun van de autochtone Marokkaanse bevolking en anderzijds de controle over de Spaanse troepen die er gelegerd waren. Dit leidde tot de executie van 200 officieren die loyaal bleven aan de Republiek, één van die officieren was een neef van Franco. Franco kampte ook met een transportprobleem. De meeste vlooteenheden waren loyaal aan de Republiek gebeleven en blokkeerden de Straat van Gibraltar. Het was daarom niet mogelijk zijn troepen van Spaans-Marokko naar het Spaanse vasteland over te brengen. Franco wendde zich tot Mussolini die een onvoorwaardelijk aanbod deed van wapens en vliegtuigen. Tegelijkertijd slaagde Abwehr-chef Wilhelm Canaris erin om in Duitsland rijkskanselier - president Hitler te overtuigen de Spaanse nationalisten te steunen. Vanaf 20 juli zou Franco erin slagen om, met behulp van 22 Duitse Junkers Ju-52-vliegtuigen, een luchtbrug in te stellen op de door nationalisten gecontroleerde stad Sevilla. Met behulp van zijn vertegenwoordigers begon hij te onderhandelen met het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Italië voor het verkrijgen van meer hulp, en vooral meer vliegtuigen. Onderhandelingen met de laatste twee waren succesvol op 25 juli en op 2 augustus kwamen nieuwe vliegtuigen aan in Tétouan. Op 5 augustus slaagde Franco erin de blokkade te doorbreken met zijn nieuwe luchtmacht, waardoor hij 2.000 soldaten per schip kon laten overkomen.
In het begin van augustus was de situatie in West-Andalusië stabiel genoeg om een colonne soldaten (een 15.000 soldaten), onder het commando van luitenant-kolonel Juan Yagüe, door Extremadura te laten marcheren met als doel Madrid. Op 11 augustus viel Mérida voor de nationalisten en op 15 augustus Badajoz, waardoor ze nu beschikten over een aangesloten grondgebied. Mussolini beval ondertussen het vormen van een Italiaanse vrijwilligersleger (CTV) dat bestond uit zo'n 12.000 volledige gemotoriseerde eenheden en stuurde hen naar Sevilla. Hitler gaf op zijn beurt een professioneel Luftwaffe-eskader dat bestond uit zo'n 24 vliegtuigen. Deze vliegtuigen kregen de tekens van nationalistisch-Spanje op zich geschilderd, maar werden gevlogen door Italiaanse en Duitse troepen. De ruggengraat van Franco's luchtmacht bestond in die tijd uit de Italiaanse SM.79 en SM.81 en Duitse Junkers Ju-52 bombardementsvliegtuigen en de Italiaanse Fiat CR.32 en Duitse Heinkel He 51 gevechtsvliegtuigen.
Op 21 september beval Franco de eerder vermelde colonne van soldaten een omweg te maken naar Toledo. Op dat moment was de colonne nog maar een 80 km van Madrid. In Toledo werd het lokale garnizoen in het Alcazar belegerd, maar hield vol. Op 27 september werd het Alcazar ontzet door de colonne, wat een grote morele en propagandistische steun betekende voor de nationalisten. Het uitstellen van de aanval op Madrid gaf het Volksfront echter ook tijd om de verdediging van de stad beter voor te bereiden en zo de stad in handen te houden toen de nationalisten aanvielen in november.
[bewerk] De weg naar de top
De oorspronkelijke leider van de opstand, generaal José Sanjurjo, was om het leven gekomen in een vliegtuigongeluk op 20 juli. In de nationalistische zone stopte het politiek leven gewoon. In het begin telde immers alleen het militaire commando. Dit werd onderverdeeld in regionale commando-zones. Emilio Mola kreeg het noorden, Gonzalo Queipo de Llano in Sevilla met de controle over Andalusië, Franco met een onafhankelijk commando en Miguel Cabanellas in Zaragoza met de controle over Aragon. Op 24 juli werd er een junta geïnstalleerd in Burgos die alles moest coördineren. De junta werd officieel geleid door Cabanella, hij was de oudste generaal. Andere leden waren Mola, drie andere generaals en twee kolonels. Franco werd in het begin van augustus toegevoegd. Op 21 september werd besloten dat Franco het hoofd van de nationalistische troepen zou worden, enkel Cabanellas zou hiertegen protesteren en op 28 september werd Franco ook hoofd van de nationalistische regering. Hierbij werd hij zeker geholpen door het feit dat Hitler had besloten dat de Duitse steun aan de nationalisten enkel naar Franco's troepen zou gaan.
Mola beschouwde Franco als onbekwaam en geen deel van de originele groep die de opstand had gepland. Maar Mola was op zijn beurt weer in diskrediet geraakt doordat zijn plan voor de opstand gedeeltelijk was mislukt, waardoor Spanje nu vastzat in een burgeroorlog. Mola werd ook sterk gelinkt aan de Carlisten en totaal niet aan de Falange. Hij had ook geen goede banden met Duitsland. De leider van de Falange, José Antonio Primo De Rivera, was de enige andere persoon die eventueel de opstand zou kunnen leiden. Hij zat echter gevangen in Madrid, waar hij een paar maanden later door het Volksfront zou worden doodgeschoten. De Falange zou echter niets weten van deze executie (Franco censureerde alle berichten hierover) en liet de Falange-leidersplaats dus open voor de terugkeer van José Antonio. Hierdoor stond er geen andere Falange-leider op om het gezag van Franco uit te dagen. Daarbij kwam dat Franco's vroegere politieke neutraliteit hem amper vijanden had opgeleverd en dat hij de banden met Duitsland en Italië had gesmeed.
Op 1 oktober 1936 werd Franco in Burgos publiekelijk uitgeroepen tot Generalísimo van het Nationale Leger en Jefe del Estado (staatshoofd). Mola was hier razend over en Cabanellas moest tussenbeide komen om de gemoeden te kalmeren. Toen Mola op 2 juni 1937 omkwam in een vliegtuigongeluk was de laatste oorspronkelijke organisator van de opstand gestorven.
[bewerk] Militair leiderschap
Vanaf dat moment tot aan het einde van de oorlog zou Franco persoonlijk de militaire operaties leiden. Na de mislukte aanval op Madrid in november 1936 besloot Franco tot een geleidelijke aanpak naar de overwinning in plaats van grote veldslagen. Sommige plannen van Franco zouden sterk bekritiseerd worden, zoals zijn bevel om in juni 1938 naar Valencia op te rukken in plaats van Catalonië.
Franco slaagde er niet in om militaire steun te krijgen van de meeste andere staten, uitgezonderd Duitsland, Italië en Portugal. Nazi-Duitsland stuurde Franco daarom het Condor-Legioen. Deze Duitse troepen zorgden voor het onderhoud van de machines en dienden ook als militaire adviseurs die de Spaanse nationalistische troepen trainden. Tijdens de ganse oorlog zouden er een 22.000 Duitsers en een 91.000 Italianen deel uitmaken van Franco's troepen. De meeste steun kwam uit het koninkrijk Italië door middel van de vrijwilligerslegioenen van het CVT (Corpo Truppo Volontare), maar de invloed van fascistisch-Italië en nazi-Duitsland op Franco zou uiteindelijk minimaal blijken. Het Portugal van Salazar steunde de nationalisten vanaf het begin en stuurde tevens een 20.000 troepen, terwijl vanaf de grenzen wachtposten pogingen ondernamen Republikeinse administraties te ondermijnen. Ook al was Franco de leider van de nationalistische legers, hij had geen volledig bevel over het elitaire Duitse Condor-Legioen dat vaak negatief commentaar had op de bevelen van Franco. Tot grote problemen zou dit echter niet leiden en het Condor-Legioen voerde maar zelden expedities op eigen initiatief uit. Om prestige-redenen besloten Duitsland en Italië om Franco tot op het einde te steunen en Italiaanse en Duitse troepen marcheerden in de grote parade in Madrid ter ere van de nationalistische overwinning in Spanje.
[bewerk] Politiek leiderschap
Franco slaagde erin om de, ideologisch ver uiteenliggende, nationaal-syndicalistische Falange, de Alfonso XIII-royalisten en de monarchistische Carlisten te fuseren onder zijn persoon. Deze nieuwe partij kreeg de naam Falange Española Tradicionalista y de las JONS. Franco's zwager, Ramón Serrano Suner, slaagde erin om de clans in de verscheidene partijen tegen elkaar uit te spelen zodat ze geen bedreiging zouden vormen tegenover Franco. Op een bepaald moment sloot hij zelfs oorspronkelijke leidende figuren van de Falange (Manuel Hedilla) en van de Carlisten (Manuel Fal Conde) uit hun respectievelijke partijen uit.
Vanaf het begin van 1937 moest elke doodstraf door Franco persoonlijk bevestigd worden. Dit wil echter niet zeggen dat hij kennis had van elke officiële executie. Vanaf het begin van de opstand waren de Junta-generaals zeer enthousiast in het uitvoeren van publieke executies als afschrikking tegenover eventuele potentiële opstandelingen - met name vanuit het Frankrijk van de socialist Léon Blum kwamen steeds communistische groepen Spanje binnen die terreuraanslagen pleegden. Recent onderzoek, gecombineerd met opgravingen van massagraven, schat het aantal officieel of door wraak geëxecuteerden in de warrige periode na de oorlog tussen de 15.000 en de 27.000.
[bewerk] Het einde van de oorlog
Op 4 maart 1939 brak er in het Republikeinse kamp een burgeroorlog in de burgeroorlog uit. Kolonel Segismundo Casado en Julian Besteiro kwamen in opstand om een stalinistische coup tegen te houden. Zij namen Madrid in en probeerden een overeenkomst met Franco te bereiken. Deze weigerde echter alle voorstellen tot overgave die geen onvoorwaardelijke overgave inhielden. Segismundo Casado en Julian Besteiro hadden geen andere keuze en op 27 maart 1939 namen Franco's troepen Madrid in. Op 1 april 1939 werd de oorlog officieel beëindigd. Op deze datum plaatste Franco zijn generaalszwaard voor het altaar in de kathedraal van Madrid en zwoer dat hij nooit meer oorlog zou voeren, tenzij Spanje zou worden aangevallen. Een eed die hij hield: Spanje bleef neutraal tijdens de Tweede Wereldoorlog.
In de jaren '40 en '50 was er echter nog altijd gewapend verzet tegen Franco in de bergstreken van Spanje. Eind 1944 viel een groep extreem-linkse veteranen van de Republiek, die voordien in het Franse communistisch verzet hadden gestreden, binnen in de Val' D'Aran-streek in noordwestelijk-Catalonië, maar zij werden snel verslagen door het Spaanse leger.
[bewerk] De Tweede Wereldoorlog
Franco had zich wegens de ontvangen hulp in de burgeroorlog welwillend tegen Duitsland en Italië opgesteld. De regeringen van deze landen waren ideologisch verwant aan Franco's bewind, en hoopten bovendien op een of andere tegenprestatie voor de verleende hulp. Toen Frankrijk in 1940 viel hoopte Franco door mee te doen aan een oorlog die al gewonnen leek een flinke beloning in de wacht te slepen. Gezien de nationale frustratie over verlies van koloniën veertig jaar eerder verwachtte Franco op zijn minst geheel Frans Marokko, Gibraltar en Tanger te krijgen. Ook wenste Franco meer economische steun.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog had de anti-nazistische Duitse admiraal Wilhelm Canaris meerdere ontmoetingen met Franco waarbij hij Franco informeerde over de plannen van nazi-Duitsland met Spanje. Canaris was als leider van de Abwehr goed geïnformeerd, maar zweerde in het geheim tegen Hitler en het nationaalsocialisme samen. Canaris zorgde ervoor dat Franco zijn beste en meest ervaren troepen nabij de grens met Frankrijk positioneerde en het terrein daar volbouwde met anti-tankhindernissen - ondanks ogenschijnlijke kameraadschap met Duitsland. Duitse muziekkorpsen hielden parades in Madrid, maar aan de Franse grens openden de Spanjaarden voor joden en zelfs voor eigenlijk vijandige Franse communisten en liberalen de toegang en richten vluchtelingencentra in.
In de herfst van 1940 ontmoette Hitler Franco in het Zuid-Franse Hendaye, geheel onverwacht voor de internationale pers. Daar bleek Hitler niet bereid Spanje meer toezeggingen te doen dan Gibraltar. Frans-Marokko wilde Hitler niet toezeggen aan Spanje uit angst dat deze in pro-Duitse handen zijnde Franse koloniën dan naar de westelijke geallieerden en de groep Charles de Gaulle zouden overlopen, en omdat hij de medewerking van Vichy Frankrijk nodig had. Hierdoor kwam niet meer dan een halfslachtige overeenkomst tot stand waarin Spanje slechts toezegde tot de As toe te treden op een moment dat het Franco uitkwam. Zowel Franco als Hitler verlieten de ontmoeting ontevreden - Franco had echter zijn doel bereikt, namelijk mogelijkheid tot neutraliteit scheppen.
Franco stond in 1941 wel toe dat de Blauwe divisie, bestaande uit fascistische Spaanse vrijwilligers, naar het Oostfront trok. De Blauwe divisie moest als herstel en dank gelden voor het Condor-Legioen in de burgeroorlog. De divisie werd echter al in 1943 teruggehaald, toen het duidelijk werd dat de geallieerden aan de winnende hand waren en de spanningen tussen Franco en de radicale Nazi-leiding opliepen. Vanaf 1943 stelde hij zich neutraler op in plaats van de eerder verkondigde "non-belligerentie".
[bewerk] Na Wereldoorlog II
Na de Tweede Wereldoorlog begon Franco de bakens te verzetten. Om te beginnen werd in 1947 in naam de monarchie hersteld. Verder rangeerde de Caudillo zijn zwager, de radicale falangist Serrano Suñer, op een zijspoor. Zo maakte hij zich, in de verhoudingen van de Koude Oorlog, aanvaardbaar als partner voor de Verenigde Staten. Zo kon Amerika enkele militaire faciliteiten in Spanje krijgen. Maar de Europese bondgenoten verhinderden dat Spanje, zoals dat wel met het Portugal van Salazar gebeurd was, lid kon worden van de NAVO. Franco-Spanje werd geïsoleerd, met name door de sociaaldemocraten en liberalen in West-Europa; Ierland en Italië hadden wel nauwe contacten met Spanje. Ook de EEG (later de EU) stond erop dat Spanje slechts dan lid van Europa kon worden als het volledig democratisch werd en de overige voorwaarden van de EU vervulde.
Onder zijn bewind werd iedere vorm van oppositie hardhandig de kop ingedrukt, maar kende Spanje ook een periode van stabiliteit, vrede en grote economische groei. De industrie, landbouw, de dienstensector en het wetenschappelijk onderzoek namen snel toe. De toegenomen welvaart in de jaren zestig leidde tot een nieuwe middenklasse die naast economische ook meer politieke vrijheid ging eisen; vele leden van de nieuwe rijken oriënteerden zich bovendien richting de VS, Frankrijk, België en Engeland. De laatste vijf jaar nam de kritiek op Franco sterk toe. Toen Franco in 1975 op 82-jarige leeftijd overleed, kwam een einde aan de laatste niet-communistische dictatuur in Europa.
Franco had zijn opvolging goed voorbereid. Bij zijn vrouw Carmen Polo had hij overigens slechts één dochter. Al in 1973 had hij de dagelijkse leiding van de regering overgedragen aan een premier, Carrero Blanco. Deze kwam echter zes maanden later bij een spectaculaire aanslag door de Baskische terreurbeweging ETA om het leven. Daarnaast had hij de kleinzoon van de laatste koning van Spanje, Juan Carlos I van Spanje, jarenlang voorbereid op de opvolging. Twee dagen na zijn dood werd deze beëdigd als koning van Spanje. Hoewel hij een vertrouweling was van Franco, stuurde hij toch al gauw onverwacht aan op herstel van de democratie en de federalisering van Spanje.
In de bergen veertig kilometer ten noorden van Madrid liet generaal Franco een zeer grote ondergrondse kerk bouwen; in 1960 werd de kerk door paus Johannes XXIII tot basiliek verheven. Hier, in de Vallei van de gevallenen, werd hij begraven. In de jaren '50 had hij in het kader van de Nationale Verzoening binnen Spanje reeds ervoor gezorgd dat naast Nationalistische strijders uit zijn eigen kamp, ook Republikeinse linkse leiders (mits katholiek) in de basiliek begraven werden. Vanaf 2005 zijn er echter stemmen in de socialistische regering van Spanje opgegaan die alle nationale symbolen en Franco-monumenten willen verwijdering uit de omgeving van de basiliek. Deze stemmen hebben opnieuw verdeeldheid in Spanje gezaaid.
[bewerk] Erfenis
De aanhang van de caudillo is na zijn dood snel geslonken. Zijn volks-fascistische volgelingen werden gemarginaliseerd; zijn uiterst rechtse gunstelingen werden weggepromoveerd. Sommige straten en pleinen die vernoemd waren naar Franco en andere kopstukken uit de Franco-tijd kregen andere namen. Op 17 maart 2005 werd het laatste standbeeld van Franco in Madrid uit het straatbeeld verwijderd op last van de socialistische regering. Van een publieke en grondige verwerping van de burgeroorlog en de daaropvolgende dictatuur is lange tijd geen sprake geweest.
In oktober 2007 nam het Spaanse parlement - gedomineerd door de socialisten - de zeer omstreden "Wet op de Historische Herinnering" aan. Deze beoogt eerherstel voor en steun aan de (linkse) slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog en het regime van Franco dat erop volgde.
De wet maakt een radicaal einde aan de straatnamen die de helden uit het leger van Franco eren en de resterende standbeelden van Franco die nog her en der verspreid staan over Spanje. Ook de bekende herinneringsplakkaten met de Falange-pijlenbundel en de naam van de falangistische ideoloog José Antonio Primo de Rivera moeten uit alle kerken verdwijnen, als die hun staatssubsidies willen behouden. Het graf van Franco in de bergkathedraal boven Madrid mag niet meer worden gebruikt voor het jaarlijkse eerbetoon rond de sterfdag van de dictator. De Partido Popular en conservatieve groeperingen waarschuwden echter voor een te eenzijdige socialistische herschrijving van de geschiedenis.
[bewerk] Literatuur
- Beevor, A. "De strijd om Spanje. De Spaanse burgeroorlog 1936-1939", Amsterdam, Anthos, 2006
| Meer afbeeldingen die bij dit onderwerp horen, zijn te vinden in de categorie Francisco Franco van Wikimedia Commons. |
| Persoonsgegevens | |
|---|---|
| NAAM | Franco, Francisco |
| KORTE OMSCHRIJVING | Dictator van Spanje en 68e president van de republiek Spanje en 1e President onder het Franco regiem (1939-1975) |
| GEBOORTEDATUM | 4 december 1892 |
| GEBOORTEPLAATS | Ferrol |
| OVERLIJDENSDATUM | 20 november 1975 |
| OVERLIJDENSPLAATS | Madrid |











/
/ 

























